Pers  
       
       
       
       
     

 

 

 

 
     

 

Mystiek hedonisme

Een korte beschouwing bij de presentatie van De jacht op het sublieme, de nieuwe essaybundel van Piet Gerbrandy


Als het sublieme tevoorschijn treedt in de complexe ervaring van huiver, inzicht en euforie die ons overkomt als we geconfronteerd worden met iets dat ons verre te boven gaat, dan verzette het lezen van het nieuwe boek van Piet Gerbrandy mij ontegenzeggelijk in een sublieme staat van zijn. 

Dit boek overdondert in de eerste plaats door een eruditie waar je als gewone sterveling koud van wordt. Deze eruditie strekt zich uit over zoveel terreinen dat hier een menstype aan het woord lijkt van wie het bestaan niet meer mogelijk werd geacht: de homo universalis. In dit geval is dat iemand die het hele veld van de humaniora overziet, van de klassieke filologie tot aan de modernste poëzie, en ook nog eens het veld dat zich uitstrekt van de antropologie, etnologie en neurologie tot aan de meest buitenissige contemporaine filosofie.
In de tweede plaats dwingt dit boek bewondering af omdat het proza van deze homo universalis nergens stoffig of pedant of belerend wordt. Dat komt omdat elke zin en elk essay richting heeft en op een onnadrukkelijke wijze gedreven wordt door een diep inzicht in wat ons mensen bezighoudt en bindt. Hoewel de essays die in dit boek verzameld zijn steeds een ander onderwerp hebben, stevenen ze allemaal af op hetzelfde vaak onuitgesproken maar niet minder aanwezige punt op de horizon. Of Gerbrandy nu spreekt over Reve, Ouwens of Sappho, of een verhandeling ten beste geeft over de oorsprong van de taal, de fijne kneepjes van de retorica of het belang van het alfabetisch schrift, de hele tijd schittert daar zijn overtuiging doorheen dat de taal niet een etherisch goedje is dat onze wereld via allerlei mogelijke abstracties keurig geordend houdt, maar integendeel het verlengstuk is van onze lichamelijke verlangens en daarmee een mogelijkheid biedt om onze eenzaamheid en afgescheidenheid voor een moment op te heffen en te boven te komen. Je voelt zo aan alles dat hier iemand aan het woord is die niet alleen schrijft over wat er allemaal geschreven is, maar iemand die zelf ook met enige regelmaat in het zwarte gat kijkt dat degene treft die probeert te schrijven wat nog niet geschreven is en wat zich principieel ook niet schrijven laat.

Daarmee kom ik op de derde reden waarom dit boek overdondert. Waar de eerste twee redenen vrij direct in het oog springen, dringt deze derde reden slechts langzaam tot de lezer door. In eerste instantie probeert die zijn bewondering te temperen met de analyse dat dit boek weliswaar begint met een mooi overzicht van de wijze waarop in de loop der tijd over het sublieme is nagedacht, maar vervolgens niet verder komt dan een reeks bespiegelingen over de wijze waarop schrijvers en dichters dit sublieme in scène hebben gezet. De oplettende lezer beseft echter gaandeweg dat hij deze geruststellende gedachte niet kan volhouden en dat hier niet alleen achtentwintig eeuwen cultuur wordt geëvoceerd en becommentarieerd, maar dat er met die achtentwintig eeuwen cultuur ook wordt nagedacht. Dat hier kortom bijna stiekem en terloops een nieuw verhaal wordt geschreven en een nieuw inzicht wordt ontvouwd.  

Laat ik dat nieuwe inzicht, omwille van de tijd sterk vereenvoudigd en enigszins gebanaliseerd, voor u uiteenzetten. Uiteraard niet om de lectuur van dit boek overbodig te maken, maar juist om de noodzaak van die lectuur te benadrukken.

Het sublieme waar hier jacht op wordt gemaakt, is niet zomaar een leuk verzetje voor intellectuelen of romantici. Nee, dit sublieme vormt niets minder dan de ondoorgrondelijke grond van het menselijk bestaan en dringt zich vroeg of laat aan ieder van ons op.
In een aantal essays zet Gerbrandy rijk geïllustreerd uiteen dat die ondoorgrondelijke grond van ons bestaan niet zomaar een gegeven is, maar iets dat zich heeft ontwikkeld en dat langzamerhand tot de basis van ons mens-zijn is uitgegroeid. Om als groepsdier te kunnen overleven, heeft de prille mens een communicatiesysteem op poten moeten zetten om het onderlinge verstaan tot grote hoogte te drijven. Dat systeem moet volgens veel etnologen een muziektaal zijn geweest die gevoelens en behoeften direct aan de andere leden van de groep kon overdragen. Die muziektaal, de Hmmmmm-communicatie genoemd, verenigde de leden van de groep op een diep niveau. Je zou kunnen zeggen dat op deze wijze het protogemeenschappelijke gesticht werd. De taal met zijn heldere betekenissen zou gegrondvest zijn op deze oorspronkelijker muziektaal. Maar de ontworsteling van de taal aan die muziek zou tot gevolg hebben gehad dat er een even desastreuze als productieve scheiding tot stand kwam. Door de betekenistaal kon het individu zich namelijk losmaken van de groep en tot individu uitgroeien. Er ontstond zo eenzaamheid en een scheiding tussen de groep en de eenling. Dat proces werd nog eens versterkt doordat die betekenistaal zelf zich nestelde tussen de mens en het protogemeenschappelijke waar de aanvankelijke mens door het zingen van de muziektaal direct in opging.

Deze ontwikkeling staat aan de basis, zou je kunnen zeggen, van het drama waarmee de mens van de klassieke oudheid tot op heden worstelt. Door de taal die hij spreekt, is de mens eenzaam en op zichzelf betrokken geraakt, maar tegelijkertijd heeft hij door die taal, die hij inmiddels ook schrijft, toegang tot een dimensie die zijn beperkte individualiteit en dito vermogens verre overstijgt. Het sublieme is, zou je kunnen zeggen, dat wat ik net het protogemeenschappelijke noemde, die niet op de staart te trappen dimensie die ons als we ons eraan overgeven een diep gevoel van verbondenheid geeft. Echter, omdat we de eenzaamheid van de individualiteit niet achter ons kunnen laten, kan de ervaring van dat sublieme zich in onze persoonlijke emotionele huishouding alleen voordoen als ontwrichtend, overweldigend, buitensporig en ontluisterend.
Die paradox, en dat is een van de impliciete gedachten die het boek van Gerbrandy als een heilige graal in zich verborgen houdt, heeft ertoe geleid dat voor ons geïndividualiseerde westerlingen het sublieme zich niet voordoet als zichzelf, maar slechts als de verhouding van de eenzame mens die we zijn, tot de gemeenschappelijkheid die we waren, maar eigenlijk niet meer kunnen worden. Precies die constellatie heeft ertoe geleid dat de ervaring van het sublieme gepaard gaat met zoveel tegengestelde gevoelens en gekenmerkt wordt door de wonderlijke mix van angst, euforie en inzicht.

Dat laatste woord brengt me op het tweede inzicht waarmee Gerbrandy ons verrast, maar dat in het licht van het voorgaande inmiddels begrijpelijk is. De ervaring van het sublieme wordt mede gewekt en ondersteunt door inzicht. Het hoeft weinig betoog dat inzicht ontstaat als een bepaalde hoeveelheid betekenissen ineens een grote mate van samenhang blijken te vertonen. Zo groot zelfs dat die betekenissamenhang ons uitzinnig maakt of uit het veld slaat. Zo’n betekenissamenhang is, hoe kan het anders, een product van taal. Als de taal in ons hoofd zo gevoegd is dat er samenhang ontstaat en de werkelijkheid zich als ondoorgrondelijke eenheid opent, kan er een begrip ontstaan dat ons begrip te boven gaat. Op dat moment stijgt de taal boven zichzelf uit en wordt poëzie; en eenmaal poëzie  is de taal niet meer dat wat ons isoleert, maar dat wat ons bindt aan wat ons aanvankelijk verenigd hield.

Tot slot de derde gedachte waar Gerbrandy ons bijna ongemerkt en terloops van overtuigt, terwijl die toch vrij prominent op de voorkant van het boek aanwezig is. De ondertitel van De jacht op het sublieme luidt namelijk Zin, lust, poëzie. Je zou dit kunnen lezen als een eenvoudige formule: Zin plus Lust geeft Poëzie. De zin die Gerbrandy hier op het oog heeft, moet wel de zin zijn die gebaseerd is op inzicht en betekenisgeving, anders zou deze zin zich niet wezenlijk onderscheiden van de lust die daarna genoemd wordt. Je zou dus ook kunnen zeggen: Taal plus Lust geeft Poëzie. Vrij snel zal iedereen het erover eens zijn dat deze simpele formule heel wel de poëtica van Gerbrandy kan weergeven, zeker waar het zijn eigen poëzie betreft. Die poëtica, en daarmee dus ook zijn poëzie, wint echter aan diepgang als we beseffen wat hier gedacht wordt en wat hier op het spel staat.
Om nog een mooie term van stal te halen, zouden we dat wat her op het spel staat mystiek hedonisme kunnen noemen. Van dit mystiek hedonisme is poëzie natuurlijk de voertaal. Gerbrandy lijkt getuige het laatste essay van zijn boek diep van het besef te zijn doordrongen dat genot of lust geen goedkoop middel moet zijn om ons op aangename wijze door het leven te slaan. Genot is voor hem integendeel een serieuze zaak, omdat we ons in het genot zo totaal verhouden tot onszelf dat we boven onszelf uitstijgen en één kunnen worden met de ander met wie we genot beleven en daarmee weer uit kunnen staan naar dat nog grotere Andere dat vrijwel buiten ons bereik is komen te staan. Deze mystieke vervoering die het genot voor ons in petto heeft en waaraan we door poëzie en erotiek kunnen raken, kunnen we gerust het sublieme noemen waartoe we ons omwille van ons mens-zijn hebben te verhouden. Daarmee zijn erotiek en poëzie en genot en mystiek geen gescheiden compartimenten meer waaraan we als het ons uitkomt wat aandacht besteden. Integendeel, ze zijn daarmee het vuur dat brandt in de duistere spelonk onder ons bestaan. Dit vuur stookt Gerbrandy met zijn boek flink op. En daar mogen we hem dankbaar voor zijn.

Henk van der Waal


 
     

 
       
       
     

Poëzie 'In de ogen van de god' van Henk van der Waal

Contact met de wijdte

JANITA MONNA
21/06/14, 00:00

Henk van der Waal zoekt samenhang in het vertakte zijn

In een tijd waarin het profileren van jezelf via allerhande sociale media doorgewoon is, laat Henk van der Waal in zijn nieuwe bundel een heel ander geluid horen. Hij wil zich juist losmaken van dat 'getokkel van de wereld'.



Je schudt je uit en droogt je af



en probeert je te



beperken en je te ontdoen



van alles waarin je manifest bent



-vlees, taal, hartslag, neiging, drift -



En wat een ander bereikt door yoga of meditatie, bereikt filosoof en dichter Van der Waal via denken en via poëzie: contact maken met de grond, de bron, of zoals hij het zegt de 'wijdte' die een mens vormt. "Dat je bent / een denkend beginsel / dat huist in het woud / van je vlees". Hij gaat daarmee in zijn nieuwste bundel 'In de ogen van de god' nog een stap verder dan in zijn vorige bundel. Was die te lezen als een introspectieve zoektocht naar het zelf, hier gaat het 'van zorg om zelf naar zijn'. Daarvoor heeft Van der Waal de strakke vorm van veel eerder werk - zoals gedichten die eruitzagen als ruit, driehoek of zandloper - losgelaten, al is ook deze bundel helder gestructureerd in tien afdelingen van steeds drie gedichten.



Hoewel zijn poëzie zich enerzijds terugtrekt uit de ruis van de wereld van alledag - er is veel stilte en veel wit en er zijn verstilde tekeningen van de dichter zelf - is het geen navelstaarderige exercitie die Van der Waal hier onderneemt. Integendeel haast, de dichter zoekt samenhang, vertakkingen van het zijn in tijd en in ruimte. Zo belicht de reeks 'Stabat mater' de breekbare relatie van een mens tot een ander, van een zoon tot zijn moeder die 'verdwaalde / in een wirwar / van herinneringen / waarvan jij de puzzelstukjes / aan elkaar te praten had'.



Daarbij valt er in zijn gedichten zeker ook kritiek op de moderne tijd te beluisteren. Zie bijvoorbeeld 'Dat je op een dag' over het ontstaan van Amsterdam. Het bezingt de groei en bloei van de hoofdstad tot nu, nu er geen doel meer lijkt en de mens die van gekkigheid niet meer weet wat hij 'aan moet met dat ik' zich verliest in uiterlijke versiersels als 'piercings en tattoos'.



Van der Waal wil daar met zijn poëzie iets tegenover stellen. En al laat hij zijn lezer nu en dan struikelen over lelijke, jargonachtige taalkeien als 'de poel van je zelfheid', de dichter heeft uiteindelijk toch de gave je op de slingerwegen van zijn denken mee te voeren; mee naar binnen, naar de bron die zich paradoxaal genoeg nauwelijks in taal laat vangen, naar de plek 'waar je zou zijn / wat je bent'.



Henk van der Waal: In de ogen van de god. Querido, Amsterdam; 68 blz. euro 17,99


 

 

 

 
     

Filosofie magazine publiceerde in november een recensie van Denken op de plaats rust: http://www.filosofiemagazine.nl/nl/artikel/29608/heidegger-zegene-de-greep.html

Hieronder mijn reactie

 

Geen dogmatiek te bekennen
Henk van der Waal

Onder de kop ‘Heidegger zegene de greep’ publiceerde Filosofie Magazine in de maand november een recensie van Denken op de plaats rust, een boek dat ik onlangs publiceerde. De recensent, Sjoerd de Jong, begon zijn bespreking met een enkel schouderklopje, maar raakte allengs geïrriteerd vanwege de zijns inziens wat grofmazige geschiedenis die ik schets als voorbereiding op mijn eigen verhaal. Wellicht doe ik er beter aan niet op De Jongs bespreking in te gaan, maar omdat hij de kern van mijn betoog zonder deugdelijke argumentatie karakteriseert als ‘de dood in de pot van elke filosofie die nog iets wil beweren’, waar ik juist wel wat beweer en de filosofie ook nog eens nieuw leven inblaas, kan ik niet anders dan een poging ondernemen zijn kritiek te pareren. Om daarbij niet te wijdlopig te worden laat ik een aantal andere punten die De Jong me voor de voeten werpt, zoals het niet behandelen van Frege en Tarski en mijn vermeende schatplichtigheid aan Heidegger, hier onbesproken. Die kanttekeningen bij mijn boek lijken vooral voort te komen uit een vooroordeel tegen het soort filosofie dat ik voorsta en vragen eerder om een debat dan om een schriftelijke reactie.

De kern van mijn betoog kwalificeert De Jong behalve als ‘obscuur en problematisch’ ook als een ‘dogmatische indeling van menselijke ervaring’. Inderdaad sta ik een indeling voor van de menselijke ervaring, en wel in drie ervaringsbereiken. Die indeling is helemaal niet obscuur, maar zo logisch en helder dat De Jong zich er blijkbaar door in de hoek gedreven voelt en uiteindelijk grijpt naar het woord ‘dogmatisch’ om ervan af te zijn.
Het klopt dat ik niet zo erg houd van het filosoferen met open eindjes dat in de lage landen nogal eens wordt bedreven en dat ik probeer de inzichten die ik over het voetlicht breng, met argumenten te onderbouwen. Mijns inziens is dat het handwerk van de filosoof: onderscheidingen aanbrengen die logisch zijn en die inzicht bieden in en geënt zijn op de menselijke ervaring. Dit filosofisch handwerk karakteriseer ik in mijn boek expliciet als het doen van een voorstel: het zou zo kunnen zijn dat het je inzicht vergroot als je er zo en zo tegenaan kijkt. Daar is niets dogmatisch aan.
Daar komt nog bij dat alle begrippen die ik in dit boek introduceer een bijzonder helder handvat aanreiken om zaken als dogmatiek en fundamentalisme te definiëren, te herkennen en te bestrijden. Of De Jong heeft er niets van begrepen, of ik ben in mijn eigen zwaard gevallen, dat kan ook.

Maar over welke onderscheidingen hebben we het hier nu eigenlijk? Heel in het kort beweer ik dat de mens in drie logische verhoudingen leeft. Die verhoudingen kleuren de ervaring die binnen het bereik van die verhouding optreedt. De eerste verhouding is die van de mens tot de materie of objectieve werkelijkheid. Met wat moeite en wat mitsen en maren kunnen we over die werkelijkheid kennis vergaren en ware uitspraken doen. Deze verhouding ligt daarom ten grondslag aan het ervaringsbereik van de waarheid. Niemand kan zich daaraan onttrekken, omdat iedereen is uitgerust met een lichaam en via zijn zintuigen kennis op moet doen over de werkelijkheid om dat lichaam in leven te houden.
De tweede verhouding is die tot de ander. Die ander is niet tot iets objectiefs terug te brengen. Doe je dat wel, dan maak je een ‘categoriefout’ en doe je die ander tekort. Ik ben natuurlijk niet de eerste die dat zegt, maar wel een van de weinigen die daar ook precies de reden voor probeert te geven, en wel door de categorieën of bereiken die ik onderscheid niet alleen maar te stellen, zoals de meeste filosofen hebben gedaan, maar ook te funderen. Hoe komt het dat de ander zich niet alleen als object, maar ook als subject aan mij voordoet, is de vraag die dan voorligt. Dat komt mijns inziens doordat die ander mij aanspreekt op wie ik ben en op wat ik doe. Via dit aanspreken subjectiveren mensen elkaar en introduceren daarmee een nieuw bereik in dat van de objectiviteit, namelijk het bereik van de intermenselijke subjectiviteit of de aanspraak.
Ik vind het van eminent belang dat het inzicht doordringt dat de bereiken van de waarheid en de aanspraak, hoewel ze constant door elkaar heen lopen, zo sterk van elkaar verschillen dat ze niet uit elkaar verklaard kunnen worden. Alleen dat inzicht en de fundering daarvan kan een dam opwerpen tegen de toenemende en alsmaar voortschrijdende verwetenschappelijking van de mens en het menselijke samenleven.
De vraag die vervolgens gesteld moet worden, is waaróp een ander mij aanspreekt als hij mij aanspreekt. Die ander spreekt mij aan op het gemeenschappelijke dat ons bindt, een gemeenschappelijke dat we, en ik beredeneer dat uitgebreid in mijn boek,  meedragen in ons zelf. Door bij ons zelf te rade te gaan kunnen we nadenken voor we iets doen. Precies die mogelijkheid van zelfreflectie onderscheidt ons van een voorgeprogrammeerde entiteit.
De verhouding van de mens tot zichzelf vormt daarmee de grondslag van onze subjectiviteit en opent een derde ervaringsbereik. Dit ervaringsbereik heb ik dat van het onbestemde genoemd, omdat dit zelf, dat dus ook het voorportaal is van het gemeenschappelijke, geen ding is en nooit definitief is te bepalen. Daarom zijn er ook geen onomstotelijke waarheden aan te ontlenen. Dogmatiek ontstaat als er aan dat zelf of aan het bereik dat in dat zelf wordt geopend, wel dergelijke waarheden worden onttrokken. En dat gaat helemaal mis als die waarheden verpakt als goddelijke ingeving of wetgeving aan de samenleving worden opgelegd. Om die reden is het niet verstandig je daar volledig aan over te geven en te veronachtzamen dat je je ook in de andere twee bereiken te bewegen hebt. Dit gedoceerd omgaan met het onbestemde is niet ‘nog een probleem’, in de woorden van De Jong, maar simpelweg datgene waar het hele boek op aanstuurt en waar  ik onophoudelijk argumenten voor aanreik.

Het is ook precies de reden waarom ik betoog dat de filosofie, samen met de kunst, een leidende rol te spelen heeft in het exploreren en toegankelijk houden van het ervaringsbereik van het onbestemde. De filosofie en de kunst zijn daar zo geschikt voor omdat zij, in tegenstelling tot religies en ideologieën, inzichten kunnen formuleren zonder die om te zetten in algemene waarheden of voorschriften die als wetten gaan gelden in het bereik van het handelen. Het hele concept dat ten grondslag ligt aan Denken op de plaats rust is dus gericht tegen de slaafsheid die het gevolg is van religieuze of ideologische dogmatiek en maakt de weg vrij voor de ontwikkeling van een individueel en persoonlijk filosofisch denken. Niet om van de filosofie een therapie te maken, zoals De Jong suggereert, maar omdat alleen zo de menselijkheid van de mens kan worden geborgd. En dat is net even wat anders dan het hoeden van het zijn van het zijnde. Soms verbergen originaliteit en creativiteit zich in de nuances.

 

 

 
     
 


 

 
 
Trouw van woensdag 10 oktober 2012