nnnnnnnnnnnnnnnnnnn

 

 

 

 

 

Henk van der Waal

 

O haat, doornige haat
Over de poëzie van Armando

 

Wie de gedichten die Armando de laatste vijf jaar heeft gepubliceerd, tot zich neemt, komt al gauw tot de conclusie dat deze gedichten met elkaar een hecht verband vormen, dat ze bijna heimelijk en bij voortduring naar elkaar verwijzen, elkaar oproepen en elkaar aanvullen. Tegelijk ontdekt diegene al snel dat deze gedichten geen verhaal vertellen. Ze voeren niet een persoon, laat staan een hoofdpersoon ten tonele en dissen niet de ingrediënten op van een geschiedenis die iemand na een beetje nauwkeurige lectuur na kan vertellen.
Wel voel je echter dat elk gedicht zwanger gaat van en verwijst naar een gebeuren dat dit gedicht zelf verre overstijgt. Elk gedicht lijkt een rest, een fragment van dat gebeuren op de staart te trappen, vast te houden en wereldkundig te maken. Zo houden deze gedichten een gebeuren dat eigenlijk te machtig is voor de taal en dat zich maar niet als een verhaal laat uitkristalliseren, tussen hun regels vast.
De gedichten laten er geen misverstand over bestaan dat het hier om een vrij schokkend gebeuren gaat, om een evenement dat de zaken flink door elkaar heeft geschud en dat een mens en een wereld heeft achtergelaten die afscheid hebben moeten nemen van wie ze waren. Om die reden kunnen we dit gebeuren een oergebeuren noemen dat zijn sporen heeft getrokken in de taal, in de natuur, in de menselijke verhoudingen. Hoewel dit oergebeuren nogal wat op zijn geweten heeft, en wij er allemaal door gevormd zijn, kun je het echter geen ‘stichtend’ gebeuren noemen. Eerder gaat het om een ontwrichtend gebeuren, om een gebeuren dat een oude wereld heeft afgebroken maar dat niet in staat is geweest om een nieuwe wereld tot stand te brengen. Wellicht is dat de reden dat van dat gebeuren tot op heden geen verhaal te maken is dat ons kan troosten en hoop kan geven. En wellicht is dat ook de reden dat de dichter niet anders kan dan de ontwrichting van dit gebeuren zo neutraal mogelijk recht in het gelaat kijken om vervolgens op te tekenen wat hij ziet. De dichter is dan ook eerder aan het observeren dan aan het creëren en de gedichten zijn het resultaat van een nauwgezet onderzoek naar het idioom en de grammatica van het ontwrichtende en niet na te vertellen evenement.  

Om dat zo grondig mogelijk te doen en om niets over het hoofd te zien, maar vooral ook om ons de ernst van de situatie in te prenten en ons niet zoet te houden met de oude scheidslijnen tussen het goede en het kwade, het lelijke en het schone, de schuldige en de rechtvaardige, doet de dichter afstand van zijn eigen oordeel en emoties, kortom van zijn eigen subjectiviteit. Daardoor wordt duidelijk dat wij niet het slachtoffer zijn van kwaadwillende individuen of systemen, maar van krachten en fenomenen die het menselijke ver overstijgen en waartegen wij ons nauwelijks te weer kunnen stellen; sterker nog, van krachten en fenomenen die ook in onszelf woeden. Dat wordt eens te meer duidelijk doordat Armando deze buitenmenselijke krachten een eigen wil en subjectiviteit toebedeelt. Daardoor overrompelen ze ons niet alleen, maar boezemen ze ons ook ontzag in.

Grofweg kunnen we in de poëzie van Armando drie van dergelijk zelfstandig opererende krachten onderscheiden. Dat is in de eerste plaats natuurlijk de natuur, die ons lustig belaagt, maar die ook weigert in te grijpen of te getuigen en die uit dien hoofde door Armando schuldig wordt genoemd. Maar het is ook de taal waarin de schokkende gebeurtenis, zeg maar het oerevenement, zijn sporen heeft getrokken en nog steeds trekt. Tot slot is er het geweld, dat onze droom heeft lek geprikt.

Zo versluierd als dit oergebeuren in zijn huidige gedichten aan de oppervlakte komt, zo helder is Armando daar in zijn vroegere werk over geweest. Iedereen weet dat de oorlog en datgene wat hij daarin zelf heeft meegemaakt steeds nagalmt in zijn werk. Maar het lijkt er sterk op dat daar waar hij dat eerst nog als een verhaal kon vasthouden, in weliswaar sterk versleutelde poëzie, Het gevecht is daarvan een voorbeeld, hij dat nu niet meer nastreeft.
Zijn poëzie is daardoor alleen maar indringender geworden, omdat wat eerst nog afgedaan en gelezen kon worden als een persoonlijk belevenis, nu helemaal los is gemaakt van het individuele avontuur. Daardoor krijgt het vrijwel onzegbare gebeuren waar de gedichten naar verwijzen in de ogen van de lezer mythische proporties. Om die onuitgesproken mythe cirkelen de gedichten, zoals planeten om de zon. Die zon is alleen geen stralende zon, maar net als de bloem die Armando een enkele keer opvoert in zijn beeldend werk, een diep zwarte.
De eerste indruk die we van deze onuitgesproken mythe krijgen is dan ook dat hij ons weinig goeds heeft gebracht. Dat hij, om nog even bij de zon te blijven, die zon praktisch heeft uitgedoofd. Alsof het grootse waar we vroeger tegenop konden kijken en waar we ons aan op konden trekken en op af konden stemmen, door een heftige inbreuk in duigen is gevallen en nu als verschrikking en geweld onder ons zwerft.
Het onvermoeibare dichten van Armando maakt duidelijk dat we met die situatie hebben te dealen, dat we die situatie zelfs recht in het gezicht te kijken hebben, en dat we, als we dat doen, er wellicht enige, weliswaar ongemakkelijke, schoonheid in kunnen ontdekken.

Nu ik zo vermetel ben geweest te opperen dat de gedichten van Armando verwijzen naar een gebeuren dat zich zelf aan de spraak onttrekt, doe ik er goed aan dat in de gedichten zelf aan te wijzen.

Om te beginnen:

Eeuwig    

 

Overwoekerd
door vrijpostige bloemen,
scheen de eeuwigheid aanwezig,
werd het treuren van de storm ontdekt.

Statig de gelaatsuitdrukking:
het sterven, het sterven.

De overrompelden
hebben dezelfde raadsels getorst.

 

(Uit: Ze kwamen, Augustus 2011, pagina 115)

 

Denk nooit dat een gedicht helemaal te doorgronden is. Dat gaan we nu ook niet proberen. Wel kunnen we enkele tipjes van de sluiter lichten.

- Om te beginnen wordt hier het eerste krachtenveld zichtbaar: de natuur.
Vrijpostige bloemen: de natuur heeft geen eerbied voor wat mensen overkomt
De eeuwigheid lijkt door de overwoekering heen te breken, net zoals hij schijnt door het treuren van de storm. We krijgen hier het beeld van de machtige natuur voorgeschoteld  die de menselijke geschiedenis uitwist en daar zelf ook niet blij van wordt. De natuur die iets aanricht omdat hij het nu eenmaal aan moet richten.
Dat culmineert in de statige gelaatsuitdrukking van het sterven. Je zou kunnen zeggen dat dat precies het moment is waarop de mens zich weer uit moet leveren aan de natuur, waarin zijn streven en zijn pogen om zich tegen de natuur te weer te stellen, een illusie blijken te zijn en hij zijn eigen tijdelijkheid wel moet tooien met eeuwigheid.
Dat lijkt nog de gebruikelijke gang der dingen te beschrijven. Maar in de laatste strofe wordt het allemaal navranter. Hier worden de overrompelden opgevoerd. Mensen die verrast zijn door iets, door iets wat ze niet kunnen duiden, maar dat zo heftig is dat het hun dood, hun eeuwigheid tot gevolg heeft.
Het bijzondere hier is dat de overrompelden, hoewel ongetwijfeld eenzaam, toch iets gemeenschappelijks hebben: ze zijn namelijk overgeleverd geweest aan dezelfde raadsels, Raakten daardoor evenzeer verbaasd als verbijsterd. Wat die raadsel precies behelsen, is onduidelijk, maar ongetwijfeld speelt het feit dat de mens als tijdelijk wezen wordt opgeslokt door de zwijgende eeuwigheid, daarin een rol.

Datzelfde zien we in het tweede gedicht dat ik in dit kader met u wil lezen. Het is het openingsgedicht van de bundel Ze kwamen.

 

 

Haat    

 

Is de haat vergeten?
Als sneeuw voor de hevige regen?

Vraag de haat wanneer hij kwam,
hoe de haat ontstaan is,
aan welke grens de haat geduldig wachtte
om ongestoord naar binnen te komen.

Vraag de haat hoe lang hij duurt,
hoe breedsprakig hij wil zijn,
op welke hoogte haatgevoelens
kunnen leven.

O haat, doornige haat.

 

 

(Uit: Ze kwamen, Augustus 2011, pagina 11)

 

- We zien hier dat de haat karakteristiek is voor wat het oergebeuren waar ik eerder over sprak. Toen de haat zijn intrede deed, werd het nijpend en kwamen de zaken op scherp te staan. Bovendien blijkt de haat hardnekkig.
- We zien hier ook mooi de overgang van de haat als emotie naar de haat als zelfstandige kracht. In de tweede strofe worden we aangespoord om de haat zelf een vraag te stellen. Wij kunnen die vraag daarom ook niet zelf beantwoorden. Wij kunnen blijkbaar niet bij onszelf te rade gaan en ons afvragen wanneer wij zijn gaan haten. Nee, de haat is hier zelf bijna handelend, is hier zelf een kracht die van zich uit werkzaam is.
- Maar hoewel de haat als een mogelijke persoon wordt opgevoerd, heeft hij hetzelfde geduld als de natuur. De haat kan rustig wachten aan de grens tot hij zijn kans schoon ziet om dan als een virusinfectie toe te slaan. En die haat vestigt zich dan niet alleen in de gevoelens van mensen. Nee, die haat kan zich ook vestigen, heeft zich gevestigd, in de taal en kan zo ‘breedsprakig’ worden.
- Gek genoeg maken al de vragen die in dit gedicht aan de haat gesteld worden, duidelijk dat er geen antwoord zal komen van de haat, dat die haat rustig zijn gang zal blijven gaan en als een kankergezwel zijn werk zal blijven doen. Dat maakt vooral de laatste regel duidelijk.
In dat woordje O komt bovendien dat lichte ontzag voor de haat tot uitdrukking. Het is bijna of de dichter zich aanvleit tegen de haat. Hier voel je weer dat samenspel tussen ontzetting en bewondering, dat zo karakteristiek is voor de poëzie van Armando. Dat is ook nog terug te vinden in het woordje ‘doornig’, dat twee kanten op wijst. Je hebt de doornige struik, waarin je vast blijft zitten en wat alleen maar erger wordt als je je los probeert te trekken. En je hebt de verwijzing naar de roos, de schoonste onder de bloemen, die dat alleen kan zijn vanwege de doornen die hij ook bezit.

 

Ik wil afsluiten met een gedicht dat duidelijk maakt, dat het allemaal geenszins een gelopen race is, dat het oergebeuren waar steeds naar verwezen wordt, nog steeds gaande is. (‘Het heden is niet overwonnen’) Niettemin lukt het dit gedicht, en dat is een uitzondering in het dichtwerk van Armando, om een plaats te geven aan drie woorden uit de oude, christelijke traditie. Weliswaar worden deze woorden voorzien van een vraagteken, maar toch.

 

Inzicht  

 

Ver weg en verder weg
verschijnen gestalten die vechten.

Het heden is niet overwonnen,
niet overmeesterd,
het heden beweegt nog steeds.

En redding?
Vergeving?
Hulp?

Inzicht
is zo vaak bewapend.

 

 

(Uit: Ze kwamen, Augustus 2011, pagina 83)